DBA-modelovereenkomsten

Oorspronkelijk

DBA staat voor deregulering beoordeling arbeidsrelatie. De DBA-modelovereenkomsten zijn per 1 mei 2016 ingevoerd om op eenvoudige wijze het kaf van het koren te kunnen scheiden. Een ondernemer sluit overeenkomsten met zijn opdrachtgevers waarin staat dat hij/zij zich kan laten vervangen door een collega en dus niet persoonlijk het werk hoeft te doen. Verder is hij/zij een professional die zelf weet wat hij moet doen en geen behoefte heeft aan instructies van zijn opdrachtgevers. Wie graag meer duidelijkheid wil, kan zijn/haar overeenkomsten voorleggen aan de Belastingdienst die dan beoordeelt of er inderdaad sprake is van vrije vervangbaarheid en het ontbreken van een gezagsrelatie.

Problemen

De werkelijkheid blijkt echter weerbarstiger te zijn dan de wetgever had verwacht. Er zijn intussen enkele honderden overeenkomsten van zeer uiteenlopende aard goedgekeurd. Niemand kan door de bomen het bos nog zien. Er is grote onzekerheid ontstaan over de scheidslijn tussen enerzijds een zelfstandige en anderzijds een echte of verkapte werknemer. Daarom heeft het kabinet besloten dat de wet DBA vervangen gaat worden.

De uitwerking van de opvolger van de Wet DBA verloopt minder voorspoedig dan het kabinet had gehoopt. Met name de voorstellen ten aanzien van zelfstandigen die werken tegen een laag tarief (veronderstelling van een dienstbetrekking) loopt tegen Europese regelgeving aan. De Europese Commissie heeft negatief gereageerd op de plannen. Aanpassing van de voorstellen is geboden. De opvolger van de Wet DBA zal daarom niet eerder dan januari 2021 in werking treden, schrijft minister Koolmees van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in de tweede voortgangsbrief uitwerking maatregelen ‘werken als zelfstandige’ van 26 november 2018.

Webmodule DBA

Via een webmodule kunnen opdrachtgevers een opdrachtgeversverklaring verkrijgen, als uit beantwoording van de vragen blijkt dat er geen sprake is van een dienstbetrekking. Daarmee wordt beoogd dat ze helderheid krijgen over de kwalificatie van de arbeidsrelatie, mits de vragen naar waarheid zijn ingevuld en conform de verklaring wordt gewerkt. Een afgegeven opdrachtgeversverklaring is beperkt geldig: tot (een aantal maanden na) het volgende herijkingsmoment van de webmodule. Zo’n herijkingsmoment wordt vooraf vastgesteld en gecommuniceerd. Vooralsnog wordt gedacht aan een jaarlijkse herijking van de webmodule.

Gezagsverhouding

Wanneer sprake is van een gezagsverhouding zal per 1 januari 2019 worden verduidelijkt. Een uitgebreide toelichting zal als bijlage worden toegevoegd aan het Handboek loonheffingen dat, zo geeft Koolmees in de Kamerbrief aan, de status heeft van een beleidsbesluit. In een bijlage bij de tweede voortgangsbrief is de integrale tekst van die bijlage opgenomen. Het voornemen van het kabinet is om bij opdrachtverstrekking aan zelfstandigen tegen een laag tarief voor langere duur of voor werkzaamheden passend bij de bedrijfsactiviteiten van de opdrachtgever, voortaan een arbeidsovereenkomst te veronderstellen (arbeidsovereenkomst bij laag tarief, ALT). Daarentegen zal bij de tegenhanger (hoog tarief, korte duur of werkzaamheden die niet behoren tot de bedrijfsactiviteiten van de opdrachtgever) de mogelijkheid worden geboden van een opt-out voor de loonheffingen (dit betreft circa 20% van de zelfstandigen).

Tarieven

Met name de voorstellen ten aanzien van zelfstandigen met een laag tarief (volgens een met de brief meegestuurd onderzoek voldoet circa 13-14% van de zzp’ers aan de ALT-criteria) lopen aan tegen Europese regelgeving (met name art. 49 VWEU, vrijheid van vestiging, en art. 56 VWEU, vrijheid van dienstverrichting). Om deze reden zal het kabinet, naast de uitwerking van de ALT, ook alternatieve routes verkennen. Beoogd wordt begin 2019 wetgeving ten aanzien van ALT en opt-out ter consultatie voor te leggen. In dat geval zal deze pas per 1 januari 2021 in werking kunnen treden.

Zzp’ers en opdrachtgevers krijgen dus tot die datum geen boetes of naheffingen. Als de Belastingdienst weer begint met handhaven, wordt dit op tijd en duidelijk aangegeven en dit zal niet met terugwerkende kracht zijn. Het opschorten van de hiervoor genoemde repressieve handhaving geldt echter niet bij kwaadwillend handelen, dat wil zeggen opzettelijk creëren van een situatie van schijnzelfstandigheid, terwijl er feitelijk sprake is van een dienstbetrekking. In de tussenliggende periode wordt onderzocht of het arbeidsrecht herijkt moet worden om beter aan te sluiten op de praktijk. Zie ook de brief van SZW en het YouTube filmpje van de Belastingdienst.

Bron